In de tachtiger jaren woonde ik in Mozambique. Ik trok ook door Zimbabwe, Swaziland, Lesotho, Botswana.

Door intrigerende landschappen: uitgestrekte witte stranden, witte zoutpannen, katoenvelden, lage mangrovebossen en door erosie gekerfde rode kale aardvlaktes.

Rondom de stad Nampula, beklom ik een kring van tafelbergen. Het gladde basalt kent hier weinig uitstekende rotsstukken. De gestolde lava lijkt geglazuurd als een taart en is soms spiegelglad.

Getroffen was ik door de typische steenrode aarde, uiterst onvruchtbaar en met metersdiepe kloven die na een tropische regenbui door snijdende waterstromen in één dag waren uitgesleten. Het landschap verandert er in de loop der tijden voortdurend: zandpaden kunnen van de ene op de andere dag onbegaanbaar zijn geworden, en geleidelijk worden door de weinige gebruikers ervan, mens en dier, nieuwe doorgangen gevonden of uitgesleten.

 

In Afrika vond de wereld zijn oorsprong. Moedertje Afrika is oud, heel oud. Haar huid is pokdalig als het maanoppervlak. Enorme vlaktes getuigen van een eruptief leven. De woesternij is niet een lege woestijn zoals de Sahara, maar toch is er bijna geen leven mogelijk. Planten hebben er weinig kans, dieren dus ook niet. Mensen nog minder.

Neem de Matopos Hills in Zimbabwe. Een stokoud gebergte, zo weggesleten door de oerkrachten van de tijd dat er tal van vrouwelijke vormen zijn ontstaan, lonkend om geaaid te worden. Al van jongs af aan kan ik in ontroerde extase geraken van menselijke welvingen, en hier vond ik ze volop zo maar in de natuur. Moedertje Afrika is hier groots en desolaat. Het vergrootglas is nodig om leven te vinden. Skeletten van mens en dier getuigen van mislukte pogingen om in deze kaalheid toch in leven te blijven.

       

De aardkorst scheurt het ene moment open als de schors van een eik en spiegelt het andere moment van een ongenaakbaar hard magma. Het zwart basalt blinkt als de bezwete huid van een groep extatische dansers.

Aardformaties kunnen zo grillig zijn als een koraalrif en plooien zich soms ook als fossiele schelpvormen.

 

Deze doodse landschappen, zo schoon in hun desolaatheid en onvruchtbaarheid, hebben zich in mijn netvlies gebrand. Ik ken geen andere streek op de aardbol waar de korst zo’n gevarieerde structuur heeft aangenomen.  En waar de mens nauwelijks iets heeft kunnen of willen veranderen.

De aardscheuren lijken op de droeve levenslijnen in het doorgroefd gelaat van een stokoude vrouw die alles wat het leven aan leed met zich meebrengt al heeft doorstaan. De reiziger zou er erg treurig van kunnen worden. Maar als de bleke ochtendzon of de felle middagzon of het vuurrode avondlicht het gestolde leven beschijnt, dan begint zijn hart spontaan te juichen. Nergens biedt de aardbol dan zo’n ruige poëzie.